Advent om te aarden

Aarden in geloof

In de vier weken dat de kerken zich in december voorbereiden op Kerstmis, worden we uitgenodigd om ons ‘te aarden in geloof’. De Eeuwige bekommert zich om de aarde. Jezus werd mens, zoals wij, om met ons te zijn in onze aardse bestaan. Wat is gebeurd wordt wel ‘incarnatie‘ genoemd, het ondenkbare gegeven dat God zich ontfermt door mens van vlees en bloed te worden, net als wij.

Wie er oog voor heeft, ziet in deze periode overal ‘aarde’. We gaan van donker naar licht. We groeien van boete en inkeer (paars) naar groen (nieuw leven) en tenslotte naar wit, de kleur van het feest, van het Licht. Ook soberheid en verstilling kleuren deze dagen, het leven heeft zich naar binnengekeerd: buiten is de groei tot stilstand gekomen. Deze thema’s vragen om inleving en aardse verbeelding, opdat het Kind – deze God – ook in ons geboren kan worden. Het is de voorbereiding op zijn ‘komen’, ofwel, in kerklatijn: advent. In de muziek klinkt wel het Ontferm u (het Kyrie), maar niet de uitbundige Lof (het Gloria).

Jesaja: vrede en recht

De oud-testamentische lezingen, veelal uit Jesaja, ademen dezelfde Geest van aards leven. We leggen een weg af van rechtvaardigheid en gerechtigheid: ‘baan een weg voor de Eeuwige’, ‘effen een pad voor Hem’. De profeten gaan ons voor. (Jesaja 40; Matteüs 3)

We hopen en verwachten nieuwe groei en bloei, we zien ‘een scheut uit dorre grond’, we horen dat ‘een afgehouwen stronk die nieuwe loten laat zien, opnieuw uitloopt’ (Jesaja 53; Jesaja 11)

Met de profeten leren we verlangen naar ‘een nieuwe hemel en aarde, waar mensen gelukkig zijn en dieren in vrede naast elkaar verkeren’, ‘een vrederijk, dat geen einde zal kennen.’ (Jesaja 65; Jesaja 11)

Wie denkt: dat kan niet, die hoort over zwakke krachten die overwinnen, ‘een lijdende dienaar, die onze ziekten droeg, die ons vrede bracht’, ‘een rechtvaardige dienaar’, ‘na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht …’ (Jesaja 52-53)

Groen van hoop (op leven)

Bomen geven hoop. Een groene olijfboom bijvoorbeeld is in de Bijbel beeld van een rechtvaardig mens (Psalm 52,10). Groen is de kleur van nieuw leven, de kleur van de lente. In de advent lopen we daarop eigenlijk al vooruit. Altijd groene bomen, denk aan coniferen zoals spar, den en thuja (levensboom), kunnen voor ons teken worden van blijvende hoop op vernieuwing van het leven. In de wintertijd, als de loofbomen kaal zijn, houdt het groen van deze bomen de verwachting wakker. Een kerstboom in of bij de kerk mag er ook zonder versiering zijn.

Ook een groene krans in de kerk verwijst naar die hoop. De krans mag eigenlijk niet ontbreken in de adventstijd. Iedere zondag ontsteken we een extra kaars: met de gedachte dat het Licht (dat Christus is) naderbij komt. De krans, cirkelvormig, is zelf ook al beeld van de eeuwigheid, van de gang van de seizoenen, de kringloop van de tijd. We zagen dit bijvoorbeeld bij Hildegard van Bingen (deze website).

De cirkel, zonder begin of einde, herinnert aan God die zelf begin en einde, alpha en omega, is. In de Bijbel is sprake van een krans van gerechtigheid (2 Timoteüs 4,8) en een nooit verwelkende krans van heerlijkheid (1 Petrus 5,4).

De kleine twijg

twijg

Nog een beeld getuigt van hoop, maar geeft ook te denken. We noemden de stronk al, waaruit een loot tevoorschijn komt (Jesaja 11 en 53). Bij de profeet Ezechiël lezen we dit:

“Ikzelf zal uit de top van de hoge ceder, tussen de bovenste takken, een teer twijgje wegplukken, en dat zal ik planten op een hoge en verheven berg. (…) het zal takken dragen en vruchten voortbrengen, en een prachtige ceder worden.

In die boom, in de schaduw van zijn takken, zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn. En alle bomen op aarde zullen beseffen dat Ik, de HEER, het ben die een hoge boom velt en een kleine boom doet groeien …” (Ezechiël 17, 22-24)

Het twijgje is de verwezenlijking van de hoop. De Eeuwige zorgt. Het kleine en geringe mag er zijn én leven.

Bron: ‘Aarden in geloof. Werkboek voor bezinning, gebed, verbeelding en viering’ (4 bundels: Lente, Zomer, Herfst, Winter), eindredactie Tini Brugge, Gottmer, Bloemendaal, 1997.

Tekst: Tini Brugge en Medard Hilhorst, en foto’s Tini Brugge