Kerst om te aarden

Aarden in geloof


Op Kerstavond en met Kerstmis, 24 en 25 december, horen we dat de Eeuwige zich bekommert om de aarde. Jezus werd mens, zoals wij, om met ons te zijn in onze aardse bestaan. Wat is gebeurd wordt wel ‘incarnatie‘ genoemd, het ondenkbare gegeven dat God zich ontfermt door mens van vlees en bloed te worden, net als wij. Om hemel en aarde te verbinden. Aan ons de uitdaging om ons ‘te aarden in geloof’ en ons te voegen in een blij engelenkoor dat Vrede over de hele aarde uitzingt.

Perspectief

Licht: creatie (op Terschelling) en foto Hanneke Maassen

De thema’s zijn aards: de herders en hun schapen, de donkere nacht, de kerststal met os en ezel, en magiërs die zich aan een bijzondere ster oriënteren en stoffelijke geschenken komen aanbieden. Goud, wierook en mirre.

Het verhaal wordt door de vier evangelisten verschillend verteld vanuit een eigen perspectief. Het is vol contrasten, donker en licht. Tegenover de machtigen van deze wereld staan de armen, de behoeftigen, die aan alles gebrek hebben. Wie in nood zijn worden niet over het hoofd gezien, maar in het midden geplaatst. Er is volop leven en tegelijkertijd wordt het leven bedreigd.

Het is de vraag of het Kind zal worden verwelkomd met een dak boven zijn hoofd. Of het Kind weet te ontkomen aan wrede vervolging, kindermoord. En of de mensenzoon een plaats vindt om zijn hoofd te ruste te leggen.(Matteüs 8) Hij gaat een uittocht die benauwt: ‘uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen’ … hij is de weg van zijn volk gegaan … van ondergang tenslotte naar vrijheid (Exodus 1, 16 en 4, 22; Hosea 11, 1; Matteüs 2, 14).

We zingen over een weerloos kind. Hij deelt het hachelijke aardse lot van al die andere kinderen in nood.

Kerstavond

Kaars omwikkeld met hulst: creatie en foto Peter van Asselt, abdij van Egmond

De lezingen op kerstavond zetten het kerstverhaal in perspectief:

Er is het perspectief van de profeten: “Het volk dat in het donker ronddoolt, ziet een schitterend licht”. Juk, stok en staf zijn gebroken en het oorlogstuig is verbrand in het vuur. Het Kind ons geboren, kind van onze hoop en ons verlangen, zal genoemd worden: “Wonderbare raadsman, Sterke God, Eeuwige vader, Vredevorst”. (Jesaja 9)

Er is het perspectief van Pasen: de eerste leerlingen herkenden de nauwe band tussen de menswording met Kerst en het geheim van Pasen. De hymne in Paulus’ brief aan de Filippenzen (2, 5-11) getuigt daarvan: “Hij … nam de gestalte aan van een dienaar. Hij werd gelijk aan de mensen, en als mensen verschenen heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood …”. (Nationale Raad voor Liturgie)

Ook is er de gedachte van ‘inwoning’, voor mensen van goede wil, mensen die Hij liefheeft: “Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.” (Johannes 14, 23)

Lessons en Carols

Krans: creatie Hanneke Maassen

De anglicaanse traditie om een dienst van ‘lessons and carols’ te houden, sinds de 19e eeuw, kan ook helpen ons perspectief op het kerstverhaal niet te versmallen: het betreft immers meer dan de geboorte van het Kind. Het zingen van populaire kerstliederen gaat vergezeld van een 9-tal bijbellezingen, lessen die de hele Bijbel omvatten. Van schepping tot profeten, van belofte tot vervulling. Het gaat van Genesis 3 (zondeval) en 22 (belofte aan Abraham) via Jesaja 9 (Kind ons geboren) en 11 (een scheut uit een stronk) naar de evangelisten Lucas, Matteüs en Johannes die elk hun eigen verhaal doen. Johannes schrijft in de meest symbolische taal over de geboorte van het Kind. Wie de logica van het geloof zoekt moet bij de Eeuwige zijn, die aan het begin staat van alles dat bestaat:

Het is de laatste les: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan, zonder het Woord is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. … Het Woord is mens geworden en heeft in ons midden gewoond …” (Johannes 1)

Tegenwoordig zouden we misschien zeggen, met de logica van oerknal en evolutionair besef: een les van schepping en herschepping, van beginnend leven en de voortdurende vernieuwing ervan, groei tegen alle weerstand in, uittocht, redding van het leven uit de dood van het niet-zijn. Het vieren van ‘creatio ex nihilo’ en ‘creatio continuo’ (uit het niets en bij voortduring). Wij worden, net als het Kind, van begin af aan gedragen, zoals heel de aarde op zijn adem gedragen wordt.

Licht-Groen-Rood-Wit

Licht

Een heldere ster aan de hemel werd een teken van heil. De stralende morgenster wordt een beeld van Jezus (Openbaring 22,16). Wijzen gaan naar de ster op zoek, in het kerstverhaal volgens Lucas.

Een groene tuin en boom

De altijd groene boom die als levensboom vrucht draagt, een algemeen beeld van hoop en vertrouwen. In Genesis 2 wordt de mens uit de tuin van Eden gestuurd, met de opdracht om de aarde te bewerken. De toegang tot het (verloren) paradijs ligt verscholen in de toekomst: “Wie overwint, zal Ik te eten geven van de levensboom, die in de tuin van God staat” (Openbaring 2,7).

In de Middeleeuwen ontstond in de Elzas de traditie om rond Kerst een groene boom op het kerkplein te plaatsen, versierd met vruchten, waaronder Adam-en-Eva appeltjes: het beeld van de groene levensboom die altijd vrucht draagt en beeld van het goede tegenover het kwaad. Zo viert men het nieuwe leven, Maarten Luther gaf er tijdens de reformatie steun aan. De boom kreeg later een plaats in de kerk en aan het einde van de 19e eeuw werd het gebruik om een boom in huis te plaatsen. Huiverig voor de heidense oorsprong, kwamen pas in 1982 de eerste kerstbomen in het Vaticaan in Rome.

Bij een boom kun je met Kerst ook denken aan een stamboom, dikwijls op afbeeldingen te zien. Ook hierin wordt het perspectief zichtbaar waarin de geboorte van Jezus geplaatst wordt. De evangelist Matteüs begint met deze woorden: “Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham.” De afkomst van Jezus gaat terug op David, de goede koning en op Abraham, de stamvader van zijn volk. Ook Lucas komt even later met de geslachtslijst van Jezus (Lucas 3, 23). De afstamming die hij noteert verschilt (opmerkelijk) van Matteüs. Hij noemt bijvoorbeeld niet de vrouwen die Matteüs wel noemt: Tamar, Rachab, Ruth, en de vrouw van Uria. Waar Matteüs stopt bij Abraham, gaat Lucas verder terug, tot aan het allereerste begin: … Noach, de zoon van Lamech, Metuselach, Henoch (die nog met God wandelde) … eindigend met: “de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God.” Jezus is hier werkelijk zoon van Adam, dus: van alle mensen. Mensenzoon, maar ook: Adam, mens, zoon van God, stelt Lucas vast.

Rood-Wit

Ook hulst behoort tot de traditionele kerstversiering, altijd groen, maar ook rood door de bessen. Men associeert ermee het bloed van Jezus, en de prikkels van de bladeren herinneren aan de doornenkroon op zijn hoofd. Met Kerst is Pasen niet ver weg.

De Engelse christmas carol ‘the holly and the ivy‘ (de hulst en de klimop) zingt erover: beide zijn volgroeid maar de hulstboom spant onder de bomen de kroon: … bloesem zo wit als melk … Maria die Jezus draagt, ingebakerd … de hulstboom draagt een bes, zo rood als bloed … draagt een schors, zo bitter als gal … draagt prikkels, zo scherp als een doorn … om ons zondaars goed te doen, om ons te bevrijden …

Zie voor de (witte) bloesem ook de Kerstcantate ‘Als appelbloesem in de winter‘ (kerkliedwiki.nl), een tekst van Marijke de Bruijne.

Kerststal

Franciscus van Assisi kreeg, op zijn verzoek, in 1223 toestemming om Jezus’ geboorte zo tastbaar mogelijk te maken. De kerststal deed zijn intrede. Deze kerststal werd uitgebeeld met een echte os en ezel, levende have. De kerken namen dit voorbeeld over, en later kreeg de kerststal ook in een plek thuis. Zie ook: deze website / Franciscus van Assisi. Voor os en ezel, Jesaja 1 (bijbelin1000seconden)

Franciscus maakte duidelijk dat men in de kerstnacht extra goed voor de dieren moest zorgen en ook de vogels moest voeren. De dieren zijn voor hem broers en zussen, zo spreekt hij over ze en met ze. Daarom betrekt hij ze bij de viering van de ‘menswording’ van God.

Bron: ‘Aarden in geloof. Werkboek voor bezinning, gebed, verbeelding en viering’ (4 bundels: Lente, Zomer, Herfst, Winter), eindredactie Tini Brugge, Gottmer, Bloemendaal, 1997.

Tekst: Tini Brugge en Medard Hilhorst, en foto’s Tini Brugge